Een jong orkest gaat onder leiding Johannes Leertouwer aan de slag om Beethovens revolutionaire idealen te herontdekken. Het Nieuwe Philharmonie Utrecht speelt alle negen symfonieën van Beethoven in een nieuwe vrije stijl, gebaseerd op onderzoek naar hoe de muziek in Beethovens tijd heeft geklonken. In dit eerste concert in de reeks staan Symphony nr. 2 in D, op. 36 en Symphony nr. 4 in Bes, op. 60 centraal.
Beethoven Academy Utrecht
Dirigent Johannes Leertouwer lanceert met de Beethoven Academy Utrecht een uniek project, waarbij alle negen Beethoven-symfonieën vanuit nieuwe wetenschappelijke inzichten worden ingestudeerd en uitgevoerd. Met drie concerten in 2026 en twee concerten in het Beethovenjaar 2027: precies 200 jaar na Beethoven. In dit eerste concert in de reeks staan Symphony nr. 2 in D, op. 36 en Symphony nr. 4 in Bes, op. 60 centraal.
Johannes Leertouwer over het initiatief
“De complete Beethovens symfonieën zijn veelvuldig uitgevoerd door gespecialiseerde orkesten en ensembles en in de jaren tachtig en negentig opgenomen met oude instrumenten. Je zou daarom kunnen denken dat een nieuwe benadering weinig nieuws kan opleveren. Dat zou echter een grote vergissing zijn. We weten anno 2026 dat veel van de conventies die werden toegepast in vroege opnamen met oude instrumenten — strikte tempo’s, inflexibele ritmes, late-20e-eeuwse streektechnieken en articulaties — wezenlijk in strijd zijn met wat Beethoven en zijn tijdgenoten verwachtten. Het is van vitaal belang om de manieren waarop we Beethovens muziek uitvoeren voortdurend te heroverwegen.”
“Het bewijs is nu overweldigend dat Beethoven een flexibele opvatting van tempo had – inclusief een breed scala aan tempomodificaties en rubatopraktijken – die in geen enkele bestaande opname terug te horen is. De effectieve toepassing hiervan zou ons begrip van zijn muziek kunnen transformeren. In mijn promotieonderzoek naar modificaties van tempo en ritme in de orkestmuziek van Brahms aan de Universiteit Leiden, heb ik een manier ontwikkeld om onderzoeksbevindingen met een orkest te onderzoeken en in klank om te zetten. Mijn aanpak leidt tot fundamenteel anders klinkende resultaten dan zowel mainstream als HIPP orkesten en ensembles laten horen, en heeft toch een duidelijke verbinding met historische uitvoeringspraktijken.”